Genomineerden 2022

 
Geelgors (Emberiza citrinella)
  • Er is zo goed als geen andere vogel die zo sterk het zomergevoel oproept als de geelgors met zijn lome, monotone zang. Zijn liedje is relatief eenvoudig te onthouden, hoewel er ezelsbruggetjes voorhanden zijn om ons daar bij te helpen. Het bekendste komt uit Groot-Brittannië: ‘A little bit of bread with no cheese’. En die cheese wordt best langgerekt uitgesproken: ‘cheeeeeese’. Je hoort in zijn zang ook het dubbel-vier-noten-leidmotief van de wereldberoemde Vijfde Symfonie van Beethoven in c-mineur: “ta-ta-ta-dààààààà”.
 
  • De voorkeurshabitat van de soort bestaat uit een reeks van overgangssituaties in een structuurrijk landschap. Het gaat om overgangszones tussen bos en/of struweel en open landschap, cultuurlandschappen met kleine en/of lintvormige landschapselementen.
 
  • De populatie in Vlaanderen wordt geschat op 2800-4000 broedparen.
 

Gele kwikstaart (Motacilla flava)

  • De gele kwikstaart is mogelijk te verwarren met de grote gele kwikstaart, maar is wel beduidend kleiner en slanker. In tegenstelling tot de grote gele kwikstaart heeft de gele kwikstaart geen zwarte keel en dat is zowat het belangrijkste verschil in verenkleed. Gele kwikstaarten zijn 's winters niet te zien in België en Nederland omdat ze overwinteren in West- en Centraal-Afrika. Bij de grote gele kwikstaart zijn onze broedvogels standvogel of trekken weg over korte afstand en kunnen dus het hele jaar door gezien worden.
 
  • De oorspronkelijke habitat van de soort bestaat uit vochtige graslanden, natte heide en randen van waterrijke gebieden in open landschappen. Ze heeft zich echter aangepast aan akkers, naast vochtige weilanden, hooilanden en schrale, braakliggende terreinen.
 
  • De populatie in Vlaanderen wordt geschat op 10.000-25.000 broedparen.
 
Grauwe gors (Emberiza calandra)
  • Zowel in België als in Nederland hangt het voortbestaan van de grauwe gors aan een zijden draadje. De soort is het meest algemeen in het zuiden en zuidoosten van Europa. Het is onze grootste inheemse gors maar meteen ook die met het meest saaie verenkleed, tenminste toch in vergelijking met dat van de rietgors en de geelgors. De grauwe gors heeft een zwaar lichaam, een grote kop en een zware snavel. Het mannetje is vaak uitbundig zingend op een zangpost in het open akkerlandschap te zien.
 
  • De soort is voornamelijk gebonden aan agrarisch landschap met een voorkeur voor extensieve hooi- en/of graasweiden, of akkergebieden met veel granen en in mindere mate hakvruchten, bij voorkeur in combinatie met kleine, kruidenrijke landschapselementen.
 
  • De populatie in Vlaanderen wordt geschat op 40-120 broedparen.
 

Grutto (Limosa limosa)

  • De grutto wordt in Nederland de koning der weidevogels genoemd. Binnen de Europese Unie broedt immers 80% van de populatie in Nederland. Hij is de naam steltloper waardig, want hij heeft uitzonderlijk lange poten. In de vlucht is hij onmiskenbaar door de zeer lange snavel en de brede, witte vleugelstreep. Ook de poten, die een flink eind voorbij de staart steken, het zwarte staarteinde en de witte stuit zijn bijzonder opvallende kenmerken als de vogel vliegt. Hij dankt zijn Nederlandse naam aan zijn onmiskenbare ‘zang’.
 
  • Oorspronkelijk kwam de soort voor in veengebieden, op natte heidevelden en in open zeggenmoerassen, maar vanaf het einde van de 19de, en vooral de tweede helft van de 20ste eeuw, vestigde ze zich vooral op door de mens ontwikkelde cultuurgraslanden.
 
  • De populatie in Vlaanderen wordt geschat op ca. 715 broedparen.
 
Kievit (Vanellus vanellus)
  • De kievit is de meest algemene, broedende steltloper in België en Nederland. De aantallen nemen echter drastisch af als gevolg van het verlagen van het grondwaterpeil, het vroeger maaien van wei- en hooilanden en het eerder bewerken en inzaaien van akkers. Het meest opvallende kenmerk van de kievit is de unieke, lange, dunne kuif op het achterhoofd. In de vlucht zijn de sterk afgeronde, zwart-witte vleugels opvallend, alsook de flappende bewegingen die hij ermee maakt. Dat komt tot uiting in de Engelse benaming.
 
  • Kieviten broeden doorgaans in open gebieden op verschillende hoogten, in weilanden en ruige weiden met korte vegetatie, duinen, moerasland met korte begroeiing, akkerland en open cultuurland, vochtige heidevelden en gekapte, opgeruimde hakhoutterreinen.
 
  • De populatie in Vlaanderen wordt geschat op 5000-15.000 broedparen.
 
Kneu (Linaria cannabina)
  • De kneu is een vogeltje van het akkerland en de heide. In het voorjaar krijgt het mannetje voor het paarseizoen een schitterend broedkleed. Het rode voorhoofd en de rode borst springen dan fel in het oog als hij in de top van een struik of heg zit te zingen. Vroeger werd dit vogeltje ook kneuter genoemd, verwijzend naar zijn onregelmatige, stotterende zang. Zijn liedje is een mengsel van gevarieerde rateltjes, trillers en heldere fluittoontjes, vrij hoog verlopend op een i- en u-klank. Het lijkt alsof hij ons heel wat te vertellen heeft.
 
  • De soort kan men aantreffen in allerlei halfopen tot open landschappen zoals kleinschalig landbouwgebied, open terreinen met struikgewas, half verboste heideterreinen, jonge bosaanplantingen, maar ook in verstedelijkt gebied zoals tuinen, parken en kerkhoven.
 
  • De populatie in Vlaanderen wordt geschat op 10.000-25.000 broedparen.
 
Patrijs (Perdix perdix)
  • De patrijs is de enige van de Europese patrijzen die inheems is in België en Nederland, wat niet kan gezegd worden van de rode patrijs en de steenpatrijs die soms ook clandestien voor de jacht worden uitgezet. Onze patrijs is een kleine, schuwe en vrij compacte vogel met een subtiele schoonheid. Opvallend zijn de oranjerode keel, voorhoofd en wenkbrauwstreep en de donkerbruine buikvlek die bij het mannetje wat groter is dan bij het vrouwtje. Deze akkervogel is zelden alleen te zien. Meestal vertoeft hij in kleine, losse groepjes.
 
  • Al eeuwen geleden heeft de patrijs de omschakeling gemaakt naar het agrarische landschap. Ze heeft een voorkeur ontwikkeld voor akkergebieden met een mozaïek van kleine percelen die afgewisseld worden met extensieve graslanden, hagen en brede bermen.
 
  • De populatie in Vlaanderen wordt geschat op < 5000 broedparen.
 

Roodborsttapuit (Saxicola rubicola)

  • Wat betreft gedrag en lichaamsbouw lijkt de roodborsttapuit goed op de paap, maar hij is iets kleiner van gestalte. Het mannetje is echter onmiskenbaar dankzij de zwarte kop en keel, de brede, witte kraag in de hals en de roest-oranje borst. Roodborsttapuiten zijn redelijk luidruchtige vogeltjes. Hun roep lijkt met wat fantasie op het geluid van twee stenen die tegen elkaar worden geketst, vooral als ze zich ophouden in een familiegroep. Een belangrijke factor bij de terreinkeuze is hun behoefte aan relatief hoge uitkijkposten.
 
  • De soort komt voor in een aantal uiteenlopende biotooptypen waarbij vooral de aanwezigheid van enig microreliëf belangrijk is. Ze kan dus worden aangetroffen in duinen, op heide en hoogvenen, maar ook in agrarisch cultuurlandschap met ruige perceelsranden.
 
  • De populatie in Vlaanderen wordt geschat op 2700-4000 broedparen.
 
Scholekster (Haematopus ostralegus)
  • De scholekster mag gerust een van onze fraaiste steltlopers genoemd worden. Met haar zwart-witte verenkleed, haar oranjerode snavel en roze poten, brengt ze kleur in het landschap. In Nederland wordt ze vaak bonte piet genoemd, niet alleen omdat haar verenkleed bont gekleurd is, maar ook omdat ze tijdens de zangvlucht zeer luidruchtig 'piet piet piet-tepiet-tepiet' laat horen. De vogel is dan heel aanwezig, mede dankzij de brede, witte vleugelstrepen die bijzonder fel contrasteren met de zwarte bovenvleugels.
 
  • De broedbiotoop van de soort bestaat uit typische kusthabitats zoals kiezel- en zandstranden, vochtige duinen en schorren. Landinwaarts broedt ze hoofdzakelijk in open graslandgebieden, op akkerland en ook op weinig begroeide, opgespoten terreinen.
 
  • De populatie in Vlaanderen wordt geschat op 1200-1450 broedparen.
 
Tureluur (Tringa totanus)
  • Deze aantrekkelijke steltloper, met zijn lange, rood-oranje poten, heeft zijn naam te danken aan het luide, jodelende “tuul-tuul-tuul-tuul-tuuLIEuu-tuuLIEuu-tuuLIEuu” dat hij vooral in de vlucht tijdens de voortplantingsperiode voortbrengt. Hij vertoont een zeer levendig en opgewonden gedrag, vooral dan op de broedplaats, waar hij vaak vanop grote afstand opvliegt en daarbij zijn brede, witte vleugelachterranden laat zien. Kenmerkend in de vlucht ook is dat zijn oranjerode 'voeten' een eindje buiten zijn staart uitsteken.
 
  • De soort broedt in open gebieden waar ondiep water aanwezig is zoals schorren, vochtige en zilte, kruidenrijke graslanden en heideterreinen met vennen, kwelders en moerassen. Buiten het broedseizoen vertoeft ze aan modderige kusten, moerassen en meren.
 
  • De populatie in Vlaanderen wordt geschat op 270-360 broedparen.
 
Veldleeuwerik (Alauda arvensis)
  • De veldleeuwerik is een flink pak groter dan de boomleeuwerik, maar kleiner dan de kuifleeuwerik. Net zoals de andere inheemse leeuweriken is de veldleeuwerik een goed gecamoufleerde vogel met grijsbruine aardkleuren. Als voorbode van de lente en onvermoeibare zanger die in het zomerhalfjaar hoog in de lucht boven het open land zingt (bidt), is de veldleeuwerik een van de bekendste vogels van België en Nederland. Hij heeft een kortere/stompere kuif dan de kuifleeuwerik, maar kan die toch ook oprichten.
 
  • De soort is een grondbroeder in allerhande open landschappen, (deels) begroeid met lage vegetatie. Ze broedt zowel in (half-)natuurlijke vegetaties als in landbouwgewassen, graslanden, weilanden, akkers, droge en vochtige heide, steppen, zandduinen en venen.
 
  • De populatie in Vlaanderen wordt geschat op 6500-10.000 broedparen.
 
Wulp (Numenius arquata)
  • De wulp is een van onze grootste steltlopers en heeft als enige zo’n speciale snavel. Hij is lang (9 à 15 cm), krom en wijst met de punt naar beneden. Er is dus geen verwarring mogelijk met een andere vogel in deze gids. Hij kan zijn snavel ver voor zich uit in de grond steken – vóór de wormen zijn voetstappen ‘voelen’ – en door zijn speciale vorm kan hij de ondergrondse wormengangetjes volgen. Ook interessant is dat die snavel lange wormen beter loodrecht uit de grond kan hijsen, zodat ze niet breken en een groter hapje zijn.
 
  • De oorspronkelijke broedbiotoop bestaat voornamelijk uit natte heide- en veengebieden, maar werd in de meeste Europese landen in de tweede helft van de 20ste eeuw grotendeels ingeruild voor cultuurgrasland, open heide- en hoogveengebieden en open duinen.
 
  • De populatie in Vlaanderen wordt geschat op 170-230 broedparen.

 

Literatuur

  • Rodts Jan. 2019. De slimste vogelgids – Alle regelmatige broedvogels van België en Nederland. Uitgeverij Houtekiet. Antwerpen.
  • Vermeersch, G., Devos, K., Driessens G., Everaert J., Feys, S., Herremans M., Onkelinx T., Stienen E.W.M. & T’Jollyn F. (2020). Broedvogels in Vlaanderen 2013-2018. Recente status en trends van in Vlaanderen broedende vogelsoorten. Mededelingen van het Instituut voor Natuur en Bosonderzoek 2020 (1), Brussel, 228 p.

 

 

 

 

www.vogelvanhetjaar.be