Genomineerden 2019

Een voorproevertje van de meest fascinerende streken van de 12 kandidaten:

Tjiftjaf

Nagenoeg iedereen kent de zang van de tjiftjaf (Phylloscopus collybita), maar niet iedereen weet dat het de tjiftjaf is die dit geluid voortbrengt. Eenmaal je zijn zang gehoord hebt en een vogelkenner jou daarop attent heeft gemaakt, vergeet je die echter nooit meer. Zijn liedje bestaat uit een simpele reeks van heldere, eenlettergrepige “zilp zelp zelp zalp zilp” op twee, soms drie toonhoogtes en in een onregelmatig tempo. Als je enkele grote en oude loofbomen in je tuin hebt staan, kan het goed zijn dat de tjiftjaf een van de vaste gasten is.

Kuifmees

In vergelijking met de koolmees, de pimpelmees, de zwarte mees en de staartmees is de kuifmees (Lophophanes cristatus) een eerder uitzonderlijke gast in tuinen, tenzij die van jou grenst aan een oud sparrenbos dat met korst- en baardmossen begroeid is. Het vogeltje is een van de kleinste mezen en dus niet altijd gemakkelijk te ontdekken, tenzij je de zang kent. Die bestaat uit een goedgehumeurd kwetterend “zi-zi-zuut-burrurre zi-zi-zuut-burrure zi-zi-zuut burrure”. Het is de enige Europese mees met een volledig ontwikkelde, driehoekige kuif.

Goudhaan

Met een lengte van circa negen centimeter en een lichaamsgewicht van gemiddeld zeven gram is de goudhaan (Regulus regulus) de kleinste vogel van Europa. Aanvankelijk werd het vogeltje goudhaantje genoemd, een benaming die veel beter bij de soort past. De geslachtsnaam Regulus in de wetenschappelijke naam betekent kleine koning, verwijzend naar het gouden kroontje. Goudhanen verkiezen naald- en gemengd bos, bij voorkeur dicht sparrenbos. Enkele grote naaldbomen in je tuin volstaan al om goudhanen aan te trekken.

Zwarte roodstaart

De zwarte roodstaart (Phoenicurus ochruros) broedt in zijn natuurlijke habitat in bergen op hellingen met rotsblokken en kliffen en verspreid staande struiken. Ook in de ‘lage landen’ broedt hij, maar dan in onze steden, havens en op industrieterreinen. Zijn habitat bestaat dus uit kerktorens, schoorstenen en fabrieksschouwen ter vervanging van de natuurlijke rotsen. Zijn nest bouwt hij in gaten en spleten in muren. In de winter zien we hem hier niet want hij brengt de winter door in het westelijk Middellandse Zeegebied, soms ook wat noordelijker.

Grote lijster

De grote lijster (Turdus viscivorus) is met een lengte van 26-29 centimeter en een spanwijdte van 42-47 centimeter de grootste onder de inheemse lijsterachtigen. Ze is ook een stuk zeldzamer dan bijvoorbeeld de merel en de zanglijster. Op de nieuwe Rode Lijst van Vlaamse broedvogels staat ze aangeduid als ‘bijna in gevaar’. Deze lijster komt vooral voor in open bebost gebied en in grote tuinen. De zang van de grote lijster is in het voorjaar als een van de eerste te horen. Die lijkt wat op de zang van de merel, maar is stroever en minder helder.

Keep

De keep (Fringilla montifringilla) is een wintergast in Vlaanderen, geen broedvogel dus. Hij behoort tot de vinkachtigen en broedt in de naaldwoudzone en hooggelegen berkenbossen in Scandinavië en Rusland. Als de winterse omstandigheden in zijn broedgebied te zwaar zijn, trekt hij naar Zuid- en Midden-Europa om daar de winter door te brengen, vooral tijdens goede beukenjaren. Met wat geluk krijg je er dan op bezoek op de voedertafel. Ze kunnen dan wel eens in gemengde groepen met vinken, groenlingen en kneus gezien worden.

Gaai

We zijn het hier in Vlaanderen nog niet zo goed gewoon: de Vlaamse gaai is niet meer. Het is nu gewoon ‘gaai’ (Garrulus glandarius). Deze vogel behoort wonderwel tot de familie van de kraaiachtigen en wordt – in tegenstelling tot de overige familieleden – graag gezien door elke natuurliefhebber. Dat komt natuurlijk vooral door het feit dat hij geen zwart verenkleed heeft. Schreeuwen kan hij nochtans als de beste en hij is ook in staat om geluiden van andere vogels na te bootsen. Het gemiauw van een buizerd bijvoorbeeld. Dàt kan hij goed.

Steenuil

De steenuil (Athene noctua) is een van de weinige uilensoorten die ook overdag actief zijn. Je hebt het meeste kans om hem als tuinvogel te begroeten als jouw tuin grenst aan een open landschap, rijk aan kleine prooien, met voldoende jachtposten, rust- en nestplaatsen en met een stabiel landschapsbeheer op lange termijn. Een nestkast voor steenuilen in een knotwilg of een andere boom kan een bijkomende aantrekkingskracht uitoefenen. Deze uil jaagt vooral op kleine muizen, maar ook insecten en regenwormen staan op zijn menu.

Grote bonte specht

De grote bonte specht (Dendrocopos major) is de grootste onder de bonte spechten. De kleine en middelste bonte specht zijn een stuk zeldzamer en worden doorgaans minder in tuinen waargenomen. In de winter kunnen ze op de voedertafel of -silo gezien worden en zelfs al bengelend aan een mezenbol. Als je echter oude bomen in de tuin hebt staan die bovendien natuurlijke holten bevatten, dan kan je hem ook als broedvogel te gast hebben. Dat mogen ook naaldbomen zijn, met een duidelijke voorkeur voor bijvoorbeeld grove den.

Sperwer

Als je een sperwer (Accipiter nisus) in de tuin op bezoek krijgt, dan is dat meestal omdat hij daar een prooi heeft geslagen. Een koolmees of een merel bijvoorbeeld. De sperwer is een van onze kleinste roofvogels. Het mannetje is zelfs nog kleiner dan een torenvalk. Het meet 29-34 centimeter, de spanwijdte bedraagt 35-41 centimeter. Het vrouwtje is met een lengte van 58-65 centimeter en een spanwijdte van 67-80 centimeter een pak groter. Door haar groter formaat, kan ze ook grotere prooien slaan: een Turkse tortel of holenduif bijvoorbeeld.

Sijs

De sijs (Carduelis spinus) is een kleine vogel die behoort tot de familie van de vinkachtigen. Ze broedt niet of nauwelijks in Vlaanderen. Samen met andere vinkachtigen, zoals kepen en vinken uit het noorden, overwintert ze hier wel. We kunnen haar tijdens de wintermaanden vaak zien foerageren in bijvoorbeeld zwarte elzen, een boom uit de berkenfamilie. Die draagt in de winter zogenoemde ‘elzenproppen’ die barstensvol zitten met kleine zaadjes. Sijzen zijn beschermd maar worden nog vaak met mistnetten of klepkooien gevangen.

Bonte vliegenvanger

De bonte vliegenvanger (Ficedula hypoleuca) is een vogel die broedt in loof- en gemengd bos, bij voorkeur eikenbos. Hij kan echter ook terecht in onze parken en tuinen, zeker als die een redelijke oppervlakte hebben en grenzen aan een loofbos met oude eiken. Hij broedt in boomholten – een verlaten spechtenhol bijvoorbeeld – maar ook in nestkasten. Hij overwintert in West-Afrika en dus krijg je hem hier ’s winters niet te zien. Onderzoek heeft aangetoond dat deze soort zich moeilijk kan aanpassen aan de opwarming van het klimaat.

 

Literatuur

• Mullarney K., Svensson L., Zetterström D. & Grant P. J. 2005. ANWB Vogelgids van Europa. Tirion Uitgevers BV, Baarn, Nederland, p. 314.

• Vermeersch G., Anselin A., Devos K., Herremans M., Stevens J., Gabriëls L & Van Der Krieken B., 2004, Atlas van de Vlaamse broedvogels 2000-2002, Mededelingen van het Instituut voor Natuurbehoud 23, Brussel.

• PECBMS 2013. Population Trends of Common European Breeding Birds 2013. CSO, Prague.

• Vermeersch, G. & Anselin, A. (2009). Broedvogels in Vlaanderen in 2006-2007. Recente status en trends van Bijzondere Broedvogels en soorten van de Vlaamse Rode Lijst en/of Bijlage I van de Europese Vogelrichtlijn. Mededeling van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek nr. 3, Brussel.

• Vermeersch, G., Onkelinx, T., Lewylle, I. (2015). Algemene Broedvogels Vlaanderen (ABV): nieuwe cijfers en trends. Uit: Devos, K., et al., Vogelnieuws 25 (2015). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel.