Genomineerden 2021

 

Houtduif (Columba palumbus)

De houtduif is wellicht een van de talrijkste broedvogels in België en Nederland. Ze is zonder twijfel ook de meest bejaagde vogel met – althans volgens de officiële afschotstatistieken – meer dan een half miljoen slachtoffers per jaar, en dit enkel in Vlaanderen! De houtduif is onze grootste inheemse duif, groter dan de doorsnee stadsduif. Ze is van ver herkenbaar aan de witte halsvlek en – in de vlucht – aan de brede, witte baan op de grijze bovenvleugels. Haar zang/gekoer bestaat uit een dof, vijflettergrepig motief: ‘roe-OE-hoe oe-oe’.

 

Ringmus (Passer montanus)

De ringmus is iets kleiner en slanker dan de huismus en is er ook wel mee te verwarren. Als je echter goed kijkt, zijn er toch enkele duidelijke verschillen op te merken. Zeker het ♂ huismus vertoont belangrijke kenmerken waarmee je beide soorten uit elkaar kunt houden. De ringmus heeft een wijnkleurig, roodbruine kruin, terwijl die van de huismus grijs is. Het huismusmannetje heeft grijze kaken, die van de ringmus zijn wit met in het centrum een zwarte wangvlek. En de ringmus – cf. haar naam – heeft natuurlijk ook die witte halsring.

 

Grauwe kiekendief (Circus pygargus)

De soortaanduiding in de Latijnse naam pygargus is een Grieks woord dat ‘witte stuit’ betekent. De Engelse benaming refereert dan weer aan George Montagu, die in 1802 zijn Ornithological Dictionary; Or, Alphabetical Synopsis of British Birds publiceerde. De Franse aanduiding cendré betekent ‘askleurig’ en heeft betrekking op de kleur van het adulte mannetje. Net als de andere kiekendieven heeft de grauwe kiekendief een lange staart en lange, smalle vleugels. Als vliegend silhouet is hij dus zeer goed herkenbaar.

 

Graspieper (Anthus pratensis)

Graspieper en boompieper lijken bijzonder goed op elkaar en zijn ook nagenoeg even groot. Hun determinatie wordt sterk bemoeilijkt door seizoens- en individuele variatie in verenkleedtint. De belangrijkste kenmerken om beide piepersoorten uit elkaar te houden, zijn enerzijds de zang en anderzijds de habitat. De Belgische en Nederlandse broedvogels overwinteren overwegend in Zuidwest-Europa en Noord-Afrika. De hier overwinterende vogels komen waarschijnlijk zowel uit Scandinavië als uit eigen land.

Kleine mantelmeeuw (Larus fuscus)

De kleine mantelmeeuw is iets kleiner dan de zilvermeeuw, maar dat verschil is in de natuur nauwelijks te zien. Beide soorten zijn nauw aan elkaar verwant en gelijken qua lichaamsbouw zeer goed op elkaar. Toch zijn er enkele duidelijke verschillen waarmee je beide soorten gemakkelijk uit elkaar kunt houden: de kleine mantelmeeuw heeft een relatief donkere, leigrijze mantel en bovenvleugels, die van de zilvermeeuw zijn zilvergrijs. De kleine mantelmeeuw heeft gele poten, terwijl die van de zilvermeeuw roze zijn.

 

Spreeuw (Sturnus vulgaris)

De spreeuw wordt wel eens verward met een merel, maar ze gelijkt daar helemaal niet op, ook al is ze ongeveer even groot en heeft ze een donker verenkleed en een gele snavel. De opvallende levendigheid van haar bewegingen, haar gedrag op de grond en haar specifieke reacties onderscheiden haar zonder aarzelen van de merel. Tijdens het broedseizoen is het ‘ieder voor zich’, maar daarbuiten is ze zeer sociaal en verkiest ze de nabijheid van honderden soortgenoten waarmee ze rondzwerft op zoek naar voedsel.

 

Witte kwikstaart (Motacilla alba)

De bedrijvig rondstappende, op insecten jagende witte kwikstaart is zowel in België als in Nederland een bekend beeld in bijna alle landschappen. Het is de enige zwart-witte kwikstaart die bij ons broedt. Hij is wat groter dan de gele kwikstaart en iets kleiner dan de grote gele kwikstaart. Net zoals alle andere kwikstaarten beweegt de witte kwikstaart zijn staart constant op en neer, terwijl hij met rukkende kopbewegingen achter zijn prooi aanloopt. Mannetje en vrouwtje verschillen nauwelijks van elkaar.

 

Ooievaar (Ciconia ciconia)

De ooievaar is wellicht een van onze bekendste broedvogels. Met zijn grote formaat, zijn zwart-witte verenkleed, zijn grote, rode snavel en zijn lange, rode poten is hij onmogelijk met een andere steltloper te verwarren. Vooral in de vlucht is de ooievaar, met een spanwijdte van circa twee meter, een zeer indrukwekkende verschijning. In tegenstelling tot de reigers vliegen ooievaars – zowel de witte als de zwarte – met gestrekte hals. Een vliegende ooievaar in tegenlicht zou ook wel eens verward kunnen worden met een kraanvogel.

 

Visarend (Pandion haliaetus)

Het grootste deel van de Europese visarenden broedt in Fenno-Scandinavië en Duitsland. Deze populatie decimeerde in de jaren 50 en 60 van vorige eeuw door grootschalig gebruik van landbouwgif, maar herstelde spectaculair vanaf de jaren 80. Europese visarenden overwinteren vooral tussen Mauritanië en Kameroen in West-Afrika. In Nederland lukte het wel al (in 2016), maar in Vlaanderen kon tot op heden nog geen broedgeval geregistreerd worden, hoewel er met behulp van nestpalen getracht wordt de soort aan te trekken.

 

Roek (Corvus frugilegus)

De roek is gemakkelijk te verwarren met een kraai, maar onderscheidt zich er toch duidelijk van door de kale, grijs-witte huid rond de snavelbasis en het ontbreken van bevedering rond de neusgaten. In tegenstelling tot de kraai heeft de roek ook meer losse, afhangende buikveren. Net als de gaai verzamelt de roek walnoten. Hij is in staat de verstopplaatsen visueel in het geheugen op te slaan want hij vindt die feilloos terug. Het terugvinden van de buit kost weinig tijd en dus is hamsteren een voordelige strategie.

 

Huismus (Passer domesticus)

Niet alleen de zwarte borstvlek van het ♂ huismus is belangrijk (dominantie), hun vrouwelijke partner heeft ook oog voor de breedte van de witte vleugelstreep. De afmeting van die streep houdt verband met de afmeting van de stuitklier. Hoe groter de vlek, hoe beter de mannetjes bestand zijn tegen parasieten die gaatjes maken in de veren waardoor de isolerende werking vermindert en de kans op veerbreuk toeneemt. Geïnfecteerde mannetjes beginnen later te broeden, hebben een lager broedsucces en worden minder oud.

 

Blauwe reiger (Ardea cinerea)

De blauwe reiger is een grote, stevig gebouwde waadvogel met lange, geel-groen-grijze poten en een slanke, witte hals met op de voorzijde donkerblauwe lengtestrepen. Tijdens de vlucht houdt hij de hals altijd ingetrokken waardoor hij nooit verward kan worden met een kraanvogel of ooievaar. De bovenzijde van zijn verenkleed is overwegend asgrijs van kleur, de onderzijde grijswit. Als fervente viseter beschikt hij over een krachtige, grijs-gele tot groenachtige snavel die in de paartijd geel-oranje kleurt.

 

Literatuur

·       Rodts Jan. 2019. De slimste vogelgids – Alle 192 broedvogels van België en Nederland. Uitgeverij Houtekiet. Antwerpen.